maandag 30 november 2009

Het grote 'niet weten'


Zouden planten zonder wortels,

niet beslissen erop uit te trekken?


Twijfelen sprookjes,

soms aan zichzelf?


Kunnen doven,

de eigen stilte horen?





Hoe verontwaardigd,

is de koe die gemolken wordt?


Is het begrip alwetende God

en atheïsme niet net hetzelfde?


Zijn stekelvarkens

pr ik kelbaar?





Wat als jouw blauw,

mijn rood blijkt zijn?


Kan men dwars doorheen de aarde

omhoogvallen?


Zwommen vliegende vissen

vroeger in de lucht?





Als dood betekent 'niet bestaan',

is zij dan geen illusie?


Waarom passen dagen

soms niet in mijn hoofd?


Hoe vaak kan gras gemaaid worden,

vooraleer het beslist niet meer te groeien?





Is het niet passender te vragen,

hoe de aap in de mouw kwam?


Als zeepbellen mooier worden als ze groter zijn,

is dat dan omdat we weten dat ze weldra openspatten?


Zou een samenleving met enkel lieve mensen,

niet heel onstabiel zijn?





Hoe veel moet men liegen

om betrouwbaar te lijken?


Als een rups zich tot vlinder kan ontpoppen op 1 maand,

waarom gelooft dan niet iedereen in evolutie?


Waarom gaan gedachten,

soms trager dan verlangens?






Als we zeggen dat we elkaar niet begrijpen,

zeggen we dan niet dat we elkaar belangrijk vinden?



Is de droom van een schilder,

geen vervulbaar verlangen?


Wat zijn die voorwaarden,

voor onvoorwaardelijke liefde?





Hoe vaak sneeuwt het nog,

in het hart van wereldleiders?


Waarom zijn nachten langer

als dagen tekort komen?


Wat als mijn zuur,

jouw zoet is?





Wat is de zin,

van het zoeken naar zin?


Als zeewater terugloopt in de riviermonding,

overspoelt ze dan oude bekenden?


Waar wacht de deur,

naar een parallel universum?




Kan mijn linkerhand,

mijn rechter ooit echt kennen?


Wie zal kleur in mijn ogen tekenen,

als blindheid zich meester maakt van jouw liefde?


Als jij mijn dagen vertelt,

mag ik dan je nachten dromen?



Zie jij ook het daglicht hopen,

straks weer schemer te mogen worden?




Kan men –nooit-

onderscheiden van –nooit was-?





Wat meer is het leven,
dan een schreeuw om aandacht in het heelal?


Schrijversverdriet


Ik heb je ingepakt

met verbloemde beelden

als water van een modderplas

goud gerimpeld in de zon


Maar wie luistert nog

met ingehouden adem

naar mooie banaliteit

en zachte vanzelfsprekendheid


Slechts enkelen schuifelen vluchtig

langs getimmerte

met vederlichte boekjes

waarin hopelozen woorden weenden


Ik heb je dan maar weer uitgepakt

met ingeslikt verdriet

om telkenmale vast te stellen

neen,

ik kan het niet.


VERWOEST



Hij stond versteld te kijken

naar de catastrofe

die leven werd genoemd


Dresden na de vuurstorm

ruïnes

zo ver het oog wou zien


Smeulende kathedralen

van verwachtingen

en niet ingeloste verlangens


alle verzet ontglipte

zijn verweer

dat enkel zwakker werd


Langzaam klemde hij de kolf

in zijn vuist

voelde de warmte


het houten handgrip

contrasteert

met randen van koud metaal.


het detail stemde hem droef

net nu

de beslissing was gevallen


hij drukte de loop

tegen zijn slaap

en haalde de trekker over


voor hem was er geen knal

plotse stilte

omzwachtelde zijn gescheurd gemoed.