zondag 31 januari 2010

STIL

ik heb een stille kamer
het is gelegen in een stil huis
temidden van een stil bos
stilte kan nadrukkelijk zijn
als het dwingt tot luisteren
ik hoor het gras groeien
want in de winter fluiten geen vogels
toch niet waar wij wonen
de bomen kraken niet
in windstilte
ook dat nog...
ik lees de gedachten
op het fluisterasfalt van mijn slaap
mijn hoofd ligt naar je toe
wanneer je slaapt in stille dromen
met een schaduw in profiel
lijk je wel dood
en even heerst er onrust in mijn keel
ik luister stiller dan ik ooit deed
en dan hoor ik het,
jouw adem
zo subliem onhoorbaar
dat het nu wel zeker is:
jij past hier
in dit bed,
in deze kamer,
in dit huis.

zaterdag 30 januari 2010

Ontluikend verdriet

daar zaten zij toen
onhandig jong
maar reeds zonder bruis
in hun cola

het citroentje ten spijt
zag zij haar knieën
en hij de deur
met kuise handen boven tafel

uit hun magere jeugd
werd schrale liefde geboren
in een schoot vol angst
voor overbodigheid

woensdag 27 januari 2010

The Hucklebuck

Ik word acuut misselijk van dansende mensen. Er leven op deze bol slechts een handvol individuen die kunnen dansen zonder zich belachelijk te maken en de kans dat deze zich in uw of mijn kennissenkring bevinden is quasi nihil te noemen.
In oorsprong is dansen een lichaamsexpressie gehuld in een sfeer van geheimzinnigheid die men terugvindt bij tribale rituelen in donker Afrika en in die hoedanigheid kan ik deze gekte nog enigszins pruimen uit folkloristische curiositeit.
Maar eens geïmporteerd en met kleren aan wordt dansen een debiel volksvertier met een aureool van massahysterie en kuddegeest.
Echte mannen dansen niet!
Ziedaar mijn rotsvaste overtuiging.
Kijk maar naar wat er gebeurde met Patrick Swayze, die zich van pure miserie een pancreascarcinoom dronk nadat hij zich in de vergetelheid had gedanst in de film ‘Dirty Dancing’.
Alsof er iets als ‘welvoeglijk dansen’ zou bestaan…
Of de gevlochten strandneger Leroy uit de legendarische serie Fame die zich godbetert beenverwarmers aanmat en zich ophield in het gezelschap van trossels bloedmooie vrouwen waardoor een sluimerende dreiging van zijn, in spannende kousenbroek gehulde, kruis bleef uitgaan.Om maar niet te spreken van Fred Astaire, hét toonbeeld van wuftige verwijfdheid waardoor hij uiteindelijk zijn carrière moest eindigen in een film met de profetische titel “Ghost story”.
Van zodra jolige Fransen en zatte nonkels, wulpse secretaressen of van de kruin uit kalende bedrijfsleiders zich op de dansvloer begeven keert mijn maag. Het spektakel dat hier geheid op volgt is van een dergelijk abominabel niveau dat plaatsvervangende schaamte als een knappende zweer openbreekt en me de lust bespringt om met een AK-47 kwistig blauwe bonen in het rond te strooien.
Wat hebben ze toch met dat dansen?
Hoe idioot kan een mens zich wel niet gedragen?
Waar maken die minkukels zich nu eigenlijk zo vrolijk over dat het gevoel om te bewegen op muziek hen overvalt?
Grote zweetkringen met zoutranden tekenen vunzige hemdoksels.
Bij een aantal gaat zelfs de das om het voorhoofd!

Maar niets, helemaal niets ter wereld vervult me met meer afschuw dan synchroon dansen.
U kent het wel: de zaal stelt zich als gehersenspoeld in strakke rijen en op de maat van een snelle jive of een trage twist wordt een ronduit braakverwekkende stappenpatroon geëtaleerd gelardeerd met choreoathetotische bewegingen als bij Huntingtonlijers.
De blikken in de ogen verwazen en je ziet hen opgaan in een soort bezweringsdans waarbij ze het gevoel krijgen één te worden met de kosmos, mochten ze überhaupt al notie hebben van dergelijk veelzijdig begrip.
Het gemeenschappelijke stampen met de voeten veroorzaakt een trance, een spiritualiteit die ze bij leven nooit elders zullen bereiken tot spijt van het ter ziele gegaan geloof.
Mocht u er dus ooit aan denken een feestje te geven en daar de vermetele moed hebben mij op de dansvloer te manen, weet dan één ding!
Ik draag een revolver!
En ik zal hem gebruiken indien nodig!

Onbeholpen

Tussen de lakens
huist een macabere dans
want zo hoort het
althans,
zo denkt hij toch?

onaanzienlijke woorden
lispelen letters
die schaduwen werpen
over haar lichaam
dat boekdelen spreekt

zaterdag 23 januari 2010

Moe

ze slepen en strompelen
gebrekkig in mijn hoofd,
hinkelen en hoesten
tot nooit meer genezen
ik tel het wijkend licht
zonder rust of verlosssing
en hoop dat de woordenstorm
terug liggen gaat
als na malariakoorts

ik zie een spin
tegen de wand van een bokaal
zich krampachtig vasthoudend
terwijl de vis met open mond
toehapt
in de illusie van bereikbaarheid
scheidt een bolle wereld
deze van zijn watervolle kom

nooit meer los
laat nooit
veel meer woorden dan in zinnen
veel meer zinnen dan in boeken
veel meer boeken dan in leven
nog even,
nog even...

donderdag 21 januari 2010

Daglicht splitst zijn hoofd perfect in twee

wanneer mannen wandelen,
stappen ze recht
door ingebeelde blikken gejaagd

vrouwen daarentegen slingeren
aan etalages verslingerd
heen en weer
met achterwaarts gestrekte armen
waaraan kinderen bengelen
als onwillige muilezels

de stad heeft zo haar ritme

net als de winkeljuffrouw van vederlicht ondergoed
haar regels gehoorzaamt

de klant is geen koning meer
en dát is het maar goed ook
in het verlangen naar een republiek

hij, zit op een stoel aan het raam
waarbij het daglicht
zijn hoofd perfect in twee splitst

Tirza

Er zijn zo van die dagen dat kunst zich openbaart als een speelzieke zon doorheen een brekend wolkendek.
Kunst als gesublimeerde troost. En troost is wat we nodig hebben sinds we ons bewust werden van het leven.
Ik lees Grunberg’s Tirza.
Nog steeds. En ik hoop niet snel te eindigen.
Desondanks ik een hekel heb aan idolatrie zijn er schaarse momenten waarop ik niet anders kan dan nederig het hoofd te buigen voor ultieme schoonheid, de genialiteit van een schepping.
Zelden heb ik zo’n eenvoudige complexiteit van taal aanschouwt. Zoveel subtiliteit en nuance. Ik lees en wat volgt is de materialisatie van beelden. Ik ruik, voel, hoor en zie ze. Met slechts enkele juist geplaatste woorden beschrijft Grunberg haarscherp het gefileerde leven.
Hoe kan men zo levenswijs zijn?
Hoe groot moet het genie zijn die dergelijke gouden taal spreekt?
Misschien ben ik wel wat lankmoediger dan de doorsnee lezer, maar dit heeft dan vooral te maken met mijn eigen falen. Want hoe graag zou ik zijn taal kunnen grijpen, ze kunnen vertalen naar mijn gedachten en verhalen.
Tirza is een les in nederigheid voor elke aspirant-schrijver die zich opgejut door naasten haast om gelezen te worden, waardoor de schabouwelijkheid van de resultaten zich laat verwachten.
Ik beslis te rusten en te lezen, traag, woord voor woord en te beseffen dat dergelijke werken monumentale schaduwen werpen. En welke schrijver staat nu graag in de schaduw?
Ik ben kwaad en verrukt tegelijkertijd.
Kwaad omdat ik hierdoor niets anders kan dan te beslissen om nooit een boek te schrijven, uit respect voor het woord “boek” en de associatie met grootheden van zijn kaliber die dit woord bij me oproept.
Verrukt omdat ik het uiteindelijk toch las, op aanraden van zij die het kon weten, terwijl ik vroeger Grunberg opzij legde, vanwege -nog te veel andere dingen te lezen-.
Ik las ooit de uitdrukking: “mochten enkel de vogels met het mooiste lied in het bos fluiten, het zou er vrij stil zijn”, wat moest gelden als rechtvaardiging voor minder goede kunst…

Ik hou nogal van de stilte.
Als die doorbroken wordt heb ik dan ook graag dat het de moeite is.
Ik zou dus het gezegde willen veranderen in “mochten enkel de vogels met het mooiste lied in het bos fluiten, we zouden tenminste een goede reden hebben om naar het bos te gaan”

woensdag 20 januari 2010

In "de weiden"

grijs licht werpt slappe schaduwen over de winter
na zo lang al volgehouden ademen,
ik nu even veel als jij

rood,
blauw,
groen
flikkert aan
en uit

je arm ligt over mijn schouder
in de dure illusie
van snel geld en nooit meer werken

maar je kijkt kinderogen groot
je kent de fabels en loze beloften
waarin zij zo graag geloven

wij doen het enkel om te spelen
want onechtheid is vreemd echt
wanneer er door omringd

nergens is de angst meer tastbaar,
de dood meer nabij
als in steden van veel meer


geil testosteron lacht naar drinkende hoeren
met gulzige blikken en graaiende handen
in epische proporties van levensangst

ik kijk graag
naar jou en de wereld
en jij in de wereld
en de wereld in je ogen
het rood, blauw en groen

woordeloos klagen we
het geluk van deze stad aan
terwijl we lachend blij zijn
dat verlies ook van ons is.

woensdag 13 januari 2010

Ik wens tijd nog plaats te sparen

Ik wens tijd noch plaats te sparen
om te zeggen dat eenzaamheid een illusie is
in hoofden van mensen die verloren lopen in gedachten

Ik wens tijd noch plaats te sparen
om te schrijven dat doodgaan lijkt op sneeuw één dag voor de dooi
wanneer zwarte vlekken haar schoonheid ontsieren
terwijl de randen hard en glazig afbrokkelen

Ik wens tijd noch plaats te sparen
om te voorspellen dat verwachtingen altijd anders zijn
dan stil gehoopt in de hoofden van maanzieken

Ik wens tijd noch plaats te sparen
om te waarschuwen voor de blinde wil van het toeval
waardoor verzet niet meer is dan een zachte zomerbries
die het koude hart van het noodlot streelt

Ik wens tijd noch plaats te sparen
om te wenen om wat verloren ging
wetend dat er altijd meer –minder- zal zijn

Ik wens tijd noch plaats te sparen
om te bezweren dat opgeven geen keuze is
hoewel er troost ligt in te weten
dat het altijd kan

Ik wens tijd noch plaats te sparen
om te vertellen dat jij alleen
orde brengt in mijn chaos van woorden

zondag 10 januari 2010

Het regenmeisje

jij dacht in metaforen
ik verzon wiskunde

jij sprak in kleuren
ik fluisterde hun definitie

jij keek doorheen mijn ogen
ik zag de evolutie bewezen

maar spaarzaam samen
vertelden we waarheid

waar ik niet in geloofde
en die jij overal zag

zaterdag 9 januari 2010

Als jouw zee opkomt

als jouw zee opkomt ,
terwijl ik uitgeteld
in de touwen van verloren illusies hang

brengt je vloedlijn verassingen
uit verre exotische landen
tesamen met wrakhout en gebroken glas

maar ik weet,
ergens langsheen je aanspoelsel
zit een boodschap in een fles

met volgelopen kinderogen
kijk ik altijd weer vol verlangen
naar je wassende water

dat uren lang
nadat je mijn strand overspoelde
haar aanwezigheid achterliet

als een strandjutter
van dromen en teleurstellingen
vind ik alles even mooi

vrijdag 8 januari 2010

Jaloezie

‘Je hebt het allemaal wel mooi voor elkaar’ zij hij op een quasi beschuldigende toon.
Verongelijktheid is een troostrijk gevoel, net als zelfmedelijden. En nu ik het zo bedenk is het eigenlijk niets anders dan een vorm van zelfmedelijden.
Ik keek hem langer dan gewoonlijk aan waarmee ik nadenken wou veinzen terwijl ik eigenlijk mijn antwoord al lang klaar had.
Ik kneep mijn ogen een beetje dicht en hield mijn hoofd wat schuin terwijl ik hem ten volle in mij opnam.
‘En waarom vindt jij dat’ vroeg ik hem?
‘Welja , je werk, je geld , je gezin, je hobby’s en nu nog eens schrijven. Het lijkt wel of alles waar je aan begint ook daadwerkelijk een goede afloop kent?’
‘Ah, dat bedoel je’ zei ik, verbaasdheid veinzend.
‘Wel het is toch een feit’ antwoordde hij nu met meer overtuiging door mijn vermeende onwetendheid over het eigen geluk.
‘En wat voel jij daar dan bij’ vroeg ik hem zo neutraal mogelijk, hoewel ik een spottend toontje amper kon onderdrukken?
Ik?
Oh, wel ik ben blij voor jou!
Jij bent blij voor mij? Dat is wel een heel zinloze bezigheid !
Bovendien geloof ik er geen reet van. Wat meer is, ik wantrouw mensen die beweren dat wanneer iemand succesvol is men blij is voor die persoon.
Dat druist namelijk in tegen alle natuurwetten.
De evolutie en de daaruit voortvloeiende genetica heeft gemaakt dat we enkel ons eigen geluk en succes nastreven dus dat van een ander steekt per definitie onze ogen uit. Dat heeft op zich ook een doel, namelijk; actie! Het moet ons aanzetten tot beweging, tot verbetering van onze eigen toestand. Dat is de motor die ons gebracht heeft tot waar we nu staan en hoewel humanosceptici er aan twijfelen of mensen het nu wel echt zo goed hebben als Darwinisten beweren durf ik met enige stelligheid te zeggen dat ze het alleszins heel wat beter hebben dan pakweg 10.000 jaar geleden.
Alle tekorten aan strooizout ten spijt.’

Ik zag zijn ogen wat waziger worden en zijn aandacht verslappen. Misschien moest hij wel een geeuw onderdrukken. Ik zou dat in ieder geval gedaan hebben .
Ik zag hem denken
‘Hoe vermoeiend!’
‘Hoe vermoeiend moet het wel niet zijn om zoveel geluk te hebben’

woensdag 6 januari 2010

op een zomerdag

op een zomerdag aan het strand,
met golven
die komen en gaan als uren
knispert zand tussen tenen

het water kan ons niet deren
want ik heb een kasteel gebouwd
op losse fundamenten
waarop handdoeken gespreid liggen

we glunderen naar de zee
die terugglinstert
jouw hand voelt als speculaas in de mijne
terwijl de baren onze vesting verweken

kruipen we dichter bijeen
hoewel we niet bang zijn
want wie wil samen blijven
moet zijn borst durven natmaken

dan overspoelen onze buiken
en je rilt lachend over me heen
zo wil ik verdrinken
in die zoutzoete smaak

maandag 4 januari 2010

Als ik naast je lig

als ik naast je lig
enkel maar naast je
als alles doordraait
niemand nog om ons geeft
en wij dat ook niet doen
sluimeren oude woorden
waarin we graag geloven
telt wat waar is lang niet meer
is de evolutie gestopt
klinkt enkel ons
enkel wij
uit overtuiging gekroond
verheven boven schraal licht
en koud vuur
starend naar het plafond
waar beelden beloftes schilderen
die altijd waar zijn
en nooit verbroken worden

zondag 3 januari 2010

Enkel door haar

ik zou kunnen zeggen dat het leven in kleine letters komt
en ik het dus niet kan lezen
maar dan zou een bril
mij haar geheimen prijsgeven
ik zou kunnen zeggen dat het leven geluidloos is
en ik haar verhaal niet kan horen
maar dan zouden handen
mij haar uitbeelden
ik zou kunnen zeggen dat het leven geurloos is
waardoor ik haar aarde niet kan ruiken
maar dan zou eucalyptus
mijn geest bevrijden
ik zou kunnen zeggen dat het leven zinloos is
en de dood monsterlijk absurd
maar dan zou ik jou niet gekend hebben
om mijn opstandigheid te troosten