donderdag 24 juni 2010

Vrouwelijk porselein

Beste Marianne,






Ik kon vannacht niet te best slapen. Nu is dat niet nieuw. Ik slaap de laatste tijd vrij slecht. Ik vermoed dat dit bij jou niet anders zal zijn geweest.

Zoiets schept een band vind ik.

Dan liggen we daar zo samen in ons bed , starend naar de donkere wanden, met een onheilspellend gevoel in onze buiken. Althans zo stel ik mij dat voor. Want dat samen liggen is natuurlijk maar virtueel.

Als ik wakker lig dan gaat mijn geest tollen. Ook dat is nogal klassiek durf ik denken.

Beelden flitsen doorheen mijn hoofd en zinnen die ik gezegd heb of had moeten zeggen formuleren zich welluidender dan ze ooit zouden klinken in de echte, wakkere wereld.

Ik ben dan vaak fier op mezelf, maar bijna even vaak beschaamd. Om de gemiste kansen, de onbehouwen opmerkingen, het gebrek aan subtiliteit, het egoïsme. ‘La condition humaine’, quoi!

Ik kan me daar bij jou niet veel bij voorstellen, Marianne.

Je lijkt me een voorname dame. Een beetje koket en misschien zelfs wat benepen als je het mij permitteert. Maar met oprechte inborst. Zo komt het mij toch voor.

En de indruk, is waar het om draait in het leven.

Ik weet dat je het zelf niet graag zal horen maar een boutade die ik al gaarne eens bezig is “ niet wie je bent, maar wie men denkt dat je bent is belangrijk”.

Ik vermoed dat jouw probleem net daar lag.

In de boze wereld, waartoe de politiek zeer zeker behoort wordt elke vorm van zwakheid bestraft. In verantwoordelijke functies is onzekerheid dodelijk. Wie onzeker is kan en mag dit daar niet tonen. Met excuses, als ik hier wat aanmatigend klink maar ik las de onzekerheid in je ogen en gebaren. Dit was geeneens verwonderlijk want men moest al van steen zijn om zelfverzekerd, met de resultaten van uw premier, de verkiezingsstrijd in te trekken. Er zijn nu eenmaal zaken die onverdedigbaar zijn geworden.

Vannacht voelde ik me sterk verbonden met jou. Jouw ontslag als voorzitster is een prachtig, weliswaar licht theatraal, gebaar. Je was moe gestreden , zo zei jezelf.

Ik vind dat knap. Mensen die toch nog breekbaarheid kunnen tonen. Met dit ene gebaar stelde je zowat de hele politieke scene ter discussie. Het journaille was er als de kippen bij om die ene uitspraak van jou omtrent jouw kandidatuur voor het premierschap – en ik zal hem hier niet herhalen, zo makkelijk wil ik het mezelf niet maken- keer op keer opnieuw te laten horen. Ik vroeg mij af waarom men die uitspraak zo belangrijk vond?

Lange nachtelijke reflectie bracht mij op het idee dat het hier ging om een ingebakken vorm van menselijke vernietigingsdrang. Jouw uitspraak had namelijk zwakte getoond. En zelfs de journalisten vonden dit gefundenes fressen.

Breekbaarheid is mooi, Marianne.

Ik hou niet van versterkte burchten met dikke muren die eeuwenlange soliditeit uitstralen. Geef mij maar de fragiliteit van een libelle, de transparantie van een oogopslag, het etherische van een sopranenstem.

Ik ben jouw politieke strekking niet genegen, maar dit gebeuren overstijgt de politiek.

Ik zag een mens die het geprobeerd heeft en die deemoedig het hoofd buigt voor de lelijkheid die haar omringt. Die met een symbolische daad een poging doet om een begin van genezing te bewerkstelligen. Een mens die zichzelf opoffert.

Opoffering is mooi. Het is een tegenatuurlijkheid die bewondering afdwingt.

Men gaat in tegen de programmatie van het ego.

Eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik vermoed dat dit een hoofdzakelijk vrouwelijke eigenschap is. De zelfwaan van een man is veel te groot – en al zeker op dat niveau- om zichzelf in perspectief te plaatsen.

Je hebt de maatschappij een lesje geleerd, maar ik zou me niet teveel voorstellen bij het effect. Deze gemeenschap bewijst zichzelf telkens opnieuw hardleers.

Het is een les in nederigheid.

Je liet je verleiden een verkiezingsslogan te maken ‘nooit opgeven’ en ik moet zeggen dat ik die nooit heb geloofd. Het is trouwens een domme slogan.

Je hebt het nu zelf bewezen.

Soms moet je opgeven om terug mens te worden.

dinsdag 22 juni 2010

Gegroefd


dwars doorheen een uitgegomd hart
tekent zij potloodlijnen

Staedtler nummer twee
vers gescherpt

het kerft groeven
in zijn onbesproken blad

zelfs al krijgt hij haar zwarte krassen gewist
nog zullen ze voor altijd reliëf nalaten

donderdag 17 juni 2010

Altijd het verdriet

lentenasleep vervloeit in zomervloed

en ik lig roerloos in het gras

terwijl de zon matglas door de wolken straalt

staar ik gaten in de hemel



gedachten blazen zachtjes

rimpels in mijn rust

ze vormen golven

die breken tegen mijn gemoed



nergens is eenvoud omvattend

nooit is pijn ver weg

steeds blijft er,

altijd het verdriet

woensdag 16 juni 2010

Agnes of God


Ik zag ze op een foto in de krant toen ze werd weggevoerd in een politiewagen.
Dertien jaar lang had ze opgesloten gezeten wegens mededaderschap aan één van de gruwelijkste familiedrama’s ooit.
Men schreef dat ze haar intrek wou nemen in een Brugs klooster.
Een normaal leven leek uitgesloten en wie zou anders durven beweren?
De foto toont een knullig uitziende vrouw, met ouderwets coiffure en dito brilmontuur. Ze trachtte haar hoofd te verbergen voor de fotograaf.
Gebroken leven van een verbrijzelde ziel.
Ik kon niets anders dan mededogen voelen.
Gemanipuleerd en incestueus misbruikt werd ze meegesleept in de perversiteit van een dictatoriale machtswellusteling.
Ze was altijd een gevangene geweest van de gestoordheid van haar vader. Verstoken gebleven van enig normaal sociaal contact had ze zich vastgeklampt aan die ene zekerheid, zelfs al was die des duivels.
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze zich  in de gevangenis misschien voor het eerst een beetje vrij heeft gevoeld.
Een klooster in Brugge…
Ik tracht me het beeld voor de geest te halen.
Troostende nonnen die zich over haar ontfermen, waardoor ze zichzelf in hun overtuiging bevestigd zien.
De afkeer voor de promiscuïteit van profanen.
Ik ruik de kale gangen waar slierten wierrook de 'Javel' geur verzachten.
Verdroogde geslachten en verdrongen gevoelens, verzameld in een koel gekoesterd anachronisme onder gewelfde plafonds en bloedende Christusbeelden.
De plek is voorbestemd om verschoppelingen te ontvangen.
Ik zie beelden van een abdijtuin met strak geschoren hagen en obscure kruiden waarin stille zwartkappen naarstig werken in de prille zomerzon. Agnes zit schraal op een stenen bank en haar bleke hazenlip trilt onmerkbaar samen met de tegen het zonlicht knipperende oogleden. De zusters fezelen religiositeiten.

'Agnes of God'.
Geknakte twijg, vertrappelde gevoeligheid, ontdaan van vrouwelijke oogopslag en zachtmoedig begrijpen. Ongemerkt monster geworden op haar verhakkelde levensweg, voor altijd verbonden met haar Duivel en haar God.
Demonische tweevuldigheid met hem die haar alles ontnam.

Het moge je goed gaan, Agnes. Voor zover dat nog kan.
Hopelijk fluisteren de zusters zalvende woorden in jouw levensherfst.

vrijdag 11 juni 2010

Banaal


ingehouden staren ze door ramen
die altijd maar weer muren tonen
met bakstenen die ...

bakstenen die ...
ach,
wat zou het ook

rivierloze woorden
zonder bedding
en al zeker zonder oever

mensen, ach, mensen
elke dag opnieuw
maken ze me droever

donderdag 10 juni 2010

Altijd nooit meer


Vanaf nu, altijd nooit meer
immers alles is geweest
van nu en tevens ooit weer
is het liefde die geneest

Zelfs al kleven kille dagen
aan de vliezen van mijn bot
toch zal ik jou steeds weer vragen
waarom maak je mij zo zot?