Het
gietijzeren geraamte vormde een onnatuurlijke sierlijkheid in schril contrast met de strakke
bakstenen kleurloosheid.
De lucht weende
net niet, maar droeg weemoed in haar zware grijze borst.
Ik hoorde voeten
schuifelen over verpulverde steen en zag streperige schimmen.
Blootvoets
blauw, met zwartomrande nagels, keken zij zelfs niet meer op.
Er was geen
afschuw of verzet.
Er was al
langs niets meer.
Er was
enkel "het", want zelfs leven kon men het niet noemen.
Wat als
pijn is verdwenen?
Als
hartslagen klinken alsof ze slechts dat kunnen ?
Als zelfs
wanhoop is vervlogen?
Alles van
waarde is weerloos.
Waardeloosheid
herleidt het leven tot functies.
Ik wilde je
roepen,
je
terugroepen, want je liep slechts enkele meters voorop.
Ik wilde je
vragen of ik voor één keer niet sterk mocht zijn.
Of ik je
mocht vasthouden?
Of je wilde
fluisteren dat alles goed zou komen?
In deze
onmetelijke leegheid wilde ik een
stuk van ons leggen . Het voelde als een plicht.
Sommige
daden kunnen tot verplichting leiden.
Ik wilde
zalf zijn voor gekloven lippen en gebarsten huid.
Tranen voor
gesloten ogen.
Nooit meer was Sprakeloosheid meer toepasselijk.
Nooit meer
zal ik zomaar sprakeloos zijn.
Nooit meer
zal ik me afvragen waarom sommige woorden met een hoofdletter moeten worden
geschreven, waarom het hun alleenrecht is.
"Hope dies last" schreef een overlevende. En alleen zij kunnen het weten.
BeantwoordenVerwijderen