dinsdag 13 december 2011
De middenstander sterft
Toen ik onlangs een grasmaaier ging kopen kwam ik terecht bij een firma gespecialiseerd in tuinmachines. Het was een heldere zaak met veel ramen, inspiratieloos neergepoot in een KMO zone waaraan een drassige weide was opgeofferd. De snelbouwmuren stonden naakt. De vloer van gepolierde beton was kraaknet.
In een hoekje was een rommelige werkplaats met half opengebroken 2takt motoren die stonden te wachten op vakkundige handen.
Ik bekeek de verschillende modellen van grasmaaiers toen een man mij vroeg of hij kon helpen. Ik draaide me traag om en toen onze blikken kruisten dacht ik vooral: Man! Kan ik je helpen?
Een graatmagere veertiger met uitgedund onverzorgd haar en een vaalgrijze gelaatskleur ademde ondiep in mijn richting. Schamele haarslierten kleefden tegen zijn voorhoofd. Hij was klam, zijn broek te groot , zijn blik dof. Zijn onaantrekkelijkheid had iets onwelvoeglijk. Ik zag een wit litteken in zijn hals.
Desondanks zijn deerniswekkende voorkomen overviel hij me toch met een verkoperspraatje waar ik naar aloude gewoonte moeiteloos intuimelde. Ik kocht een machine ver boven mijn vooropgestelde budget. De triomfantelijkheid die ik bij dergelijke verkopers dan meestal mag ontwaren bleef nu uit. Een brakheid nam bezit van zijn ogen.
Ik kon het maaiding niet onmiddellijk meenemen en vroeg hem reeds de papieren inorde te maken in afwachting dat ik het later die dag kwam ophalen.
Toen ik een uurtje later terugkwam was de man nergens meer te bespeuren. Een fris ogende premenopausale dame verwachtte me al. Ze tilde de machine eigenhandig in mijn wagen en vervolgens volgde ik haar naar het bureel waar we de betaling zouden afhandelen.
Mijn man is al naar huis vertelde ze me terloops terwijl ze druk noterend in haar boeken bezig was. Ze ging er van uit dat ik wist wie haar man was.
Vindt gij dat mijn man er ziek uit ziet balkte ze nu in haar verkavelingsvlaams?
Dat leek me even de “understatement “van het jaar, maar uit beleefdheid antwoordde ik : “Hij ziet er heel moe uit”.
Hij heeft kanker vertrouwde ze me toe. Verdorie dacht ik, wat vervelend. Nu ben ik wel verplicht een sociaal praatje te maken. Want zo ben ik dan wel, een harde bolster met een blanke pit. Altijd een luisterend oor voor de medemens in nood.
In een lokale geheimtaal vertelde ze me uitgebreid zijn lijdensweg. Hij had uitzaaingen ondertussen. Hij zou nooit meer genezen.
Hij had haar op een keer gevraagd of hij zijn ogen niet definitief mocht sluiten want hij was het moe.
Ik begreep het allemaal maar al te goed, tot op het moment dat ze opkeek met een felle blik.
“Ik heb hem gezegd dat hij niet het recht had om nu op te geven. Hij moet doorvechten en zijn zaak overeind houden in het belang van de kinderen. De oudste is nu 18 . Nog even en dan konden zij de zaak overnemen. Wat zouden zijn kinderen wel niet denken moesten ze later de zaak mislopen enkel en alleen omdat hun pa niet lang genoeg wilde leven?”
Om haar hoefde hij zich geen zorgen te maken zei ze me nog. Zij was oud genoeg om voor zichzelf te zorgen.”
Ik keek enkele ogenblikken vol ongeloof.
Een gevoel van medelijden overviel me. Maar dit ebde snel weer weg. Ik was er namelijk van overtuigd dat de man er net hetzelfde over dacht. Vechten tegen de dood ging hier niet over “zoveel mogelijk tijd met elkaar door brengen”, maar om het levenswerk een veilige toekomst te bieden.
De middenstander denkt niet met zijn hart.
Hij zorgt ervoor dat hij zijn zaakjes op orde heeft. En de dood is hierin een vervelende spelbreker.
Ik was het nu wel zeker. Deze man zou tot zijn laatste dag wroeten.
Als men hem kon garanderen dat zijn zaak zonder problemen zou overgaan op zijn kinderen was hij bereid vandaag nog zijn kop te leggen.
Tot dan zou hij koppig weigeren.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.