Julien van de frituur de Gouden Saté is dood.
Dat is blijkbaar een artikeltje waard in “De Morgen”.
De necrologie leest als een reclamefolder voor “Mora” .
In het artikel wordt gewag gemaakt van een hardwerkende man die geen dag in de week rustte. Wat meer is, deze brave ziel nam nooit vakantie! Het werd zomaar geopperd als ware het een verdienste!
Hij stond voortdurend klaar voor zijn eeuwig hongerige studenten die zo’n hapklare brok hypercholesterolemie altijd wel kunnen smaken, al was het maar omdat het in Belgie nog steeds de goedkoopste warme maaltijd is tenzij men aanspraak kan maken op voedselbedelingen van Poverello.
Ah! De nostalgie!
De tienduizenden studenten die Gent in de afgelopen decennia rijk is geweest zijn allen vroeg of laat wel eens bij Juliën aangespoeld. Vaak bij nacht en ontij na teveel drank en te weinig wijven waardoor bij gebrek aan het vooruitzicht op zatte seks en het schrijnende tekort aan suikers ten gevolge van een overmatige ethanolconsumptie een “grote friet met frikandel special” ( extra ajuin, graag) voldoende soelaas kon bieden om na consumptie ervan in een droomloze slaap te vallen en de eerst lesuren van de volgende dag feestelijk te brossen wegens te stuporeus.
We zwansden tegen Julien. Dat hoorde zo. En Julien zwansde terug. Nu menen velen , de journalist van het bewuste artikel incluis, dat Julien eigenlijk een filosoof met missie was. De mannelijke versie van een soort nachtelijke “min” . De man die niet wou rusten omdat zijn cliëntèle anders honger zou lijden.
Ik wil de nagedachtenis van deze volkse figuur niet besmeuren maar ik vrees dat de realiteit wel wat minder prozaïsch was.
Julien was het prototype van de vleesgeworden kleine zelfstandige, met alle onhebbelijkheden van dien.
De verheerlijking van het eigen werktempo. Het arbeidsethos tot Allerzielen verheffend, om de meer “gemene” reden te bedekken. En zelf ongetwijfeld hondengierig , waarvan zijn op 30 jaren tijd nooit opgefriste frietkot als bewijs.
Als ik terugkijk op het leven van Juliën, althans het deel waarop mij een blik wordt gegund door mijn eigen bezoeken en door de dingen die over hem worden geschreven nu hij is overleden overvalt me vooral een gevoel van droefenis.
Zo banaal kan het leven dus worden. Zo leeg en inhoudsloos. Frieten bakken. Dag in, dag uit.
Het weze de man natuurlijk gegund en samen met hem zijn er ongetwijfeld miljarden mensen ter wereld die zich onledig houden met weinig geestverheffende bezigheden doch over die mensen wordt niet geschreven. Niet omdat we ons daarvoor te goed zouden voelen maar vooral omdat het mateloos oninteressant is.
Het leven is voor sommigen onder ons vooral inhoudsloos.
Dat is geeneens zo erg, wanneer de persoon in kwestie daar bovendien nog eens een zeker geluk uit puurt.
Maar ik kan me dat niet voorstellen bij Julien.
Hij was het slachtoffer van zijn eigen beperktheid en van zijn eigenhandig dichtgetimmerde zelfstandigenkont, bang dat hij op een zwak moment zichzelf toch eens een pleziertje zou gunnen.
Ik kan niet nalaten terug te denken aan een donderdagnacht ergens in de jaren tachtig, waar ik met mijn zatte kloten ook eens tot bij Juliën zwalpte. Ik was er alleen. Dat was vrij uitzonderlijk in zijn “kot”. En hoewel ik ridderlijk toegeef hem niet getrakteerd te hebben op filosofische bespiegelingen of meer banale weetjes zoals het weer, meen ik me toch nog te herinneren dat ik beleefd was en gewoon wat conversatie wou maken.
Ik vroeg hem dus of hij elke nacht zo laat open bleef en of dat niet lastig was voor hem? Of hij dat nooit beu raakte?
Ik dacht eerst dat hij mij niet gehoord had boven het pruttelende vet , dus herhaalde ik mijn vraag nog eens , maar nu wat luider.
Hij draaide zich om, terwijl hij de frietmand boven de ketel hield waarmee hij hevig aan het schudden was en bromde met de paar neuronen die zijn stembanden aanstuurden: “ Wadest? Est voor te zoage da ge komt?
Ik zeg neen, Julien, ik kom voor frieten.
Awel bestelt ze dan! Bralde hij terug.
Sta me dus toe de sympathieke heldendichten over deze markante man wat te relativeren.
Onwillekeurig krijg ik het gevoel dat de man gewoon een onwaarschijnlijk dwaze kloot was, die eigenlijk niets anders kon dan frieten bakken en er vooral niet in sloeg zich vrij te maken van de zinloze last die hij op zijn schouders laadde door elke dag gedurende 30 jaar te blijven werken.
donderdag 21 februari 2013
donderdag 14 februari 2013
Lente
Ik streel je vrolijke gedachten,
vervang je woorden op papier
Het is nog winter
toch zing je al lente
Dan laat je kruiswoordraadsels
ontkiemen op mijn buikvlies
Ze vormen de zinnen
die ik je altijd al wilde fluisteren
vervang je woorden op papier
Het is nog winter
toch zing je al lente
Dan laat je kruiswoordraadsels
ontkiemen op mijn buikvlies
Ze vormen de zinnen
die ik je altijd al wilde fluisteren
Slechts een woord
Gent zal het woord allochtoon schrappen naar analogie met de krant “De Morgen” en de stad Amsterdam.
Sta me toe dit een bijzonder infantiele manier van integratiepolitiek te vinden.
Het is zoals reeds werd geopperd plat populisme naar analogie met het De Wever populisme aan rechterzijde van het politieke spectrum.
Woorden zijn maar woorden. Ze zijn vooral belangrijk voor zij die... er zich van bedienen om hun kost te verdienen.
Schrijvers, journalisten , politiekers, leraars.
We gebruiken allemaal taal om te communiceren, maar het gros van de mensen beseft dat taal vatbaar is voor interpretatie en dat men aan woorden niet al te veel belang moet hechten.
Staalarbeiders maken staal, stilzwijgend zwoegend in de hitte van de hoogovens. Naast hen staat Abdel of Najib of Boris of Piet, verscholen onder hun futuristisch ogend ruimtepakje. Ze zweten zich te pletter. Ze praten met gebaren .
Verpleegsters strelen handen , verversen pampers en wassen vuile konten, verzorgen etterige wonden en glimlachen troost in de ogen van hun patiënten. Er klinken woorden maar die verbleken in de aanschijn van een aanraking.
Ook in de liefde en vriendschap wordt beter niet teveel gepraat. Woorden zijn slechts zwakke dragers van gevoelens.
Woorden leiden ons af van de essentie.
Het zijn vaak dure verpakkingen voor goedkope kadootjes.
Als een allochtoon zich in de politiek begeeft lijkt hij zich vrij snel te adapteren aan het politieke spel.. Plots wordt alles symboliek. Breed glimlachend voor de camera orakelend dat zijn stad nu tot de meest progressieve van Vlaanderen kan beschouwd worden. De rots in de branding tegen het oprukkende conservatisme dat zich als vuile olievlek langzaam uitbreidt over Vlaanderen.
We gaan “het” niet meer gebruiken zegt men in Gent.
Wel weet je wat: “ de man in de straat” heeft dat woord nooit gebruikt! De woorden die zij gebruiken klinken heel wat minder fraai.
Trouwens met welk een recht zal de politiek beslissen welke woorden nu gangbaar worden.
Politiek moet aan politiek doen en zich ver weghouden van semantische spelletjes. Dat doen ze onbewust al meer dan genoeg.
Bovendien vind ik “Gentse Bulgaar”, of “Turkse Gentenaar” al even discriminerend als het woord allochtoon. Het is zelfs nog meer discriminerend want men gaat de vreemde afkomst nog eens specificeren, zodat we goed weten van welk land de voorouders van de allochtoon afkomstig zijn. Zodat we ook goed kunnen in kaart brengen welke de goede en welke de slechte allochtonen zijn.
Het is vermoedelijk niet toevallig een “Turkse Gentenaar” die het plan lanceert. Turken in Gent hebben de neiging niet bepaald sympathiek om te gaan met laat ons zeggen “Gentse Marokkanen”. Ze zijn er niet vies van de problematiek van de migratie buiten hun gemeenschap te willen plaatsen en hebben doorgaans een vrij rechts politiek gedachtegoed.
De Turkse staat is daar een goed voorbeeld van.
Kortom. Ik voel me niet geroepen om het woord allochtoon uit mijn vocabularium te schrappen.
Het is een zinloze daad.
Abonneren op:
Posts (Atom)